column.
lijst columns
lijst
lijst
lijst columns
C-lijst_frm.
18-04-05: Excellentie
Wie mijn grijze haardos kent -of wat daar nog van over is- weet dat ik wat langer mee ga als menig GroenLinkser. Daardoor heb ik ook het begin van het televisie-tijdperk meegemaakt. Ik weet nog dat de TV, toen nog zwart-wit, voor het eerst bij ons thuis aangezet werd. Gefascineerd staarde ik naar het testbeeld, verwonderd hoe zo'n beeld
gezonden over zo'n grote afstand, in ons huiskamer te zien kon zijn. Het technisch wonder werd nog groter toen het beeld ook nog begon te bewegen en een aantrekkelijke dame, te weten de omroepster, voor elke omroep weer een andere, te zien was. Voor het eerst kon je het wereldnieuws nu ook thuis bekijken. Het heette toen nog het NTS-Journaal en daarop zag ik onder meer Jan Gerritsen minister Joseph Luns intervieuwen. 'Excellentie' , zo sprak Jan eerbiedig, alsof hij op audientie was, 'mag ik u misschien vragen....'

Zo ging het dus in de jaren vijftig als mensen op hogere posities werden benaderd: met een eerbied, die op onderworpenheid neer kwam. Het hoorde ook zo toen. Destijds dachten de mensen dat je gek was geworden was als je een hoger geplaatste benaderde alsof die ook een gewoon mens was. Je moest je plaats weten en als je superieuren, notabelen of lieden van hoge rang niet met de nodige nederigheid benaderde, dan vroeg je om problemen. Met de roemruchte zestiger jaren kwam echter een eind aan gezag-bij-de-gratie-van-een-hoge-positie en verving mondigheid nederigheid als aan te bevelen levenshouding. Maar daar was niet iedereen gelukkig mee.

Zoals bijvoorbeeld Zijne Excellentie de Weledele staatsecretaris van der Knaap van defensie. Hij zou (Volkskrant 16/4) graag zien dat bewindslieden weer met 'excellentie' worden aangesproken en gruwt van ministers ('Annemarie J'), die zich door hun chauffeur met de voornaam aan laten (lieten) spreken. Hetgeen riekt naar heimwee naar een tijd, waarin de kloof burger-bestuur, repectievelijk tussen gewone en verheven mensen, nog heel gewoon en gepast was. Maar de tijden zijn veranderd en zou je nu een minister met 'excellentie' aanspreken, dan begint die direct naar de verborgen camera te zoeken. Dus wat bezielt de staatsecretaris om zijn zucht een relikwie van de standenmaatschappij tot leven te willen wekken hardop uit te spreken, wat zelfs mede Christen-democraten meewarig doet blikken?

Knaap ligt zijn uitspraken zelf ook toe, maar die lijken mij niet serieus te nemen. Bijvoorbeeld dat hij respect vraagt voor mensen die afbreukrisico lijden en in moeilijke situaties besluiten moeten nemen. Maar dat geldt ook voor herkeurde WAO's en die houden er minder geld aan over. Ook zegt hij dat bestuurders het land beter maken dan het al is, maar daar mag je in een demonstratie -in geval van het kabinet met goede reden- verschillend over denken. Als streven kan het nog wel kloppen, maar dat geldt in beginsel voor alle politici, wetenschappers en tig andere beroepsgroepen. Ik geef daarom maar wat andere verklaringen.

Verklaring 1. Toen de staatssecretaris nog een Van der Knaapje was, heeft hij sterk onder een tekort aan bewondering en schouderklopjes geleden. Misschien droomde hij wel van een hoge positie die mensen van lagere rang zou dwingen naar hem op te kijken en hem met eerbied te behandelen. Dan is het natuurlijk lullig als je zo'n positie eindelijk bereikt hebt, de tijden veranderd zijn en Jan met de Pet je als een gelijke benadert en in die zin heeft hij zijn hart gelucht..

Verklaring 2. Na de LPF-oorlog in Balkende I en een huidige minister van Binnenlandse Zaken, die ook zelf geneigd blijkt wangedrag 'met een rotschop' te beantwoorden, kan een mens snakken naar bewindslieden, die met meer beschaafd en beheerst gedrag tonen, dat ze zich van het gewicht van hun ambt bewust zijn. Van der Knaap hoopt misschien dat als ministers als eerbiedwaardige personen worden aangesproken, ze zich ook daar naar gaan gedragen.

Verklaring 3. Het kabinet worstelt met zijn geloofwaardigheid en de premier wil maar niet de Vader des Vaderlands worden. Integendeel, terwijl je bij wijze van spreken bij Kok nog de neiging kon hebben je vinger op te steken alvorens het woord te voeren, vraagt iemand zich bij Balkenende altijd af wat die gaat worden als die eenmaal groot is. Logisch dat je dan nostalgisch terug denkt aan een tijd dat de grootste debiel vanwege rang of stand op eerbiedige benadering kon rekenen van mensen, die in alle andere opzichten zijn meerdere waren.

Welke van die verklaringen zou de spijker op zijn kop zijn? Als u het weet neem ik mij voor u voortaan met 'excellentie' aan te spreken.