column.
lijst columns
lijst
lijst
lijst columns
C-lijst_frm.
lijst columns
Wat voor goeds Fortuyn voor zijn dood heeft opgeleverd  is echter  wat minder klip en klaar.  ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’ zo luidde één van zijn meest befaamde one-liners.  Een leuke vondst, inspelend op het lang niet altijd terechte  verwijt dat politici verborgen agenda’s hebben en hun beloften   niet nakomen. Maar geen  uitspraak, die navolging verdient. Wie altijd zegt wat hij denkt is binnen een week zonder vrienden en heeft, indien getrouwd,  uitzicht op een spoedige scheiding. Elk mens heeft namelijk ook gedachten, die zomaar opborrelen en bij enig zelf-kritisch oordeel beslist  ongeschikt blijken voor openbaarmaking.  De LPF  heeft desondanks wel genoemd idee van hun Pim geadopteerd en zoals kon worden verwacht mocht worden volgde in die partij de ene ruzie op de andere.  

Al hadden die ruzies vermoedelijk ook te maken met het onderling gedrang vanuit algemeen verlangen van LPF-leden om ook (of weer) eens in de publieke schijnwerpers te staan. Een dusdanig sterk verlangen, dat voormalig LPF-minister Nawijn heden ten dage bereid is desnoods voor lul te staan, zolang dat er  maar toe leidt dat er camera’s op hem gericht zijn.   Als ik TV-kijkend en alvorens snel door te zappen- daar van getuige ben, heb ik de neiging om,  mits toegepast op walging wekkende ex-ministers,  net als Nawijn voor de doodstraf te zijn, maar dat is nou typisch zo’n opborrelende   gedachte, die niet voor openbaring geschikt is en de lezer als niet geuit dient te beschouwen.

‘Ik doe wat ik zeg’. Dat kan in de Nederlandse politiek alleen als je een staatsgreep pleegt, want anders kun je er alleen maar naar streven. Postuum is Fortuyn wat dat betreft natuurlijk wel een heel end gekomen met in één keer 26 zetels voor de LPF.   Bovendien met een honds-trouwe fractie en een achterban zonder eigen politieke filosofie, die voor Fortuyn nog hun meningen uit De Telegraaf moesten plukken. Maar daar kregen ze nu  Pim voor, die eerder na het verlaten van Leefbaar Nederland al zijn critici in eigen omgeving had weten te lozen. Een positie en een manier van doen, die herinneren aan bepaalde historische parallellen, die ik natuurlijk niet wil oprakelen, want voor je het weet ben je aan het demoniseren. [Demoniseren, zo heb ik geleerd, is het beledigen van leiders en opinie-makers, die zelf (zoals Geert W.) niet schromen stevig op andermans tenen te gaan staan. En dat wordt je heel kwalijk genomen. ]

Ieder mens die vermoord wordt is er één te veel en heel erg voor de nabestaanden. Maar afgezien daarvan betreur ik de moord op Fortuyn, omdat bij leven hij mij wellicht wel had kunnen duidelijk maken waaruit zijn unieke gedachtegoed nu eigenlijk bestond.  Hij had wat tegen het Moslim-geloof, maar was daarmee niet de eerste bekende Nederlander. Bolkenstein ging hem voor, maar zei het alleen op een meer beredeneerde en verfijnder manier. Van Eduard Bomhof (NRC, Opinie & Debat, 5-6 mei) begrijp ik dat het bestrijden van het regentesk acteren van het politiek bestuur tot Fortuyns gedachtegoed behoorde.  Maar als daarbij vandaag, los van de voorkeur van de gemeenteraad benoemde burgemeesters door Bomhof worden genoemd,   ter illustratie van wat Fortuyn voorstond en nu weer verkeerd gaat,  dan is dat wel het gebied waarop D’66 zich al vanaf de oprichting druk maakt. Bovendien meldt Bomhoff de nostalgische gevoelens van Fortuyn naar de jaren vijftig.   En dat waren nu juist buitengewoon regenteske jaren, waarin het ‘spreek mij niet tegen!’ deel uit maakte van  de vaste reflexen van alle gezagsdragers. Trouwens ook jaren waarin iemand met de openlijke beleden seksuele voorkeur van Fortuyn geen geliefd publieksfiguur had kunnen worden.  Dat dit later wel kon was (mede) te danken aan een ander gedachtegoed,  namelijk van de door zijn aanhangers met zo’n afkeer bejegende ‘linkse kerk’.  

Fortuyn was geen militair, sportheld of filmster, noch heeft hij zich door zijn te vroege verscheiden als handelend politicus (lid kamer of kabinet) kunnen onderscheiden. De lezer, die anders weet mag het mij uitleggen, maar zelf kan ik in wijlen Fortuyn evenmin een moderne Erasmus, Spinoza of andere diepdenker terug vinden.  Maar wie weet had hij aan dat laatste juist zijn populariteit te danken.  Als zelfverklaarde vertegenwoordiger van het volksdeel, dat stevig doordenken maar een saaie bezigheid vindt en alleen daarom al wat tegen politici hebben, die omdat ze meer dan het betreffende volksdeel, verschillende kanten van een onderwerp kennen, meer weten van botsende belangen,  in nuances en voorbehoud spreken.  Terwijl het streven naar helder taalgebruik een goede zaak is,  wollig spreken soms gebruikt wordt om te verbergen, dat men het ook niet weet, is het anderzijds zo, dat politieke en bestuurlijke thema’s niet allemaal in Jip & Janneke taal neergezet kunnen worden.  Als je suggereert dat dit wel kan, maak je je natuurlijk populair bij mensen die graag alles eenvoudig houden en hooguit in debat willen over de beste opstelling van het Nederlands elftal. En graag gezien bij media, die het liefst de aandacht van lezers en kijkers vangen in flitsende nieuws-items, waarin voor uitgebreide en diepgaande beschouwingen geen ruimte is. Aan die behoefte aan eenvoud beantwoordde Fortuyn en daarin was hij ook bijzonder goed. Kortom,  Fortuyn was ondanks zijn reputatie geen groot denker of politicus. Hij was de profeet van de simpele geesten.